Een marathon loop je niet alleen met goede benen. Dat weet Koen Naert als geen ander. In aanloop naar Rotterdam voelt hij zich fysiek sterker dan ooit, maar tegelijk beseft hij hoe fragiel een topprestatie kan zijn. Met een persoonlijk record van 2u06’56” mikt hij opnieuw hoog, al blijft hij realistisch: “Je kan perfect voorbereid zijn, maar het is de dag zelf dat het moet gebeuren.”
Met de marathon van Rotterdam in zicht – niet voor niets “de Mooiste” genoemd – kijkt Koen Naert reikhalzend uit naar zondag. “Yes yes, ik kijk er wel naar uit, het mag gaan komen,” zegt hij met duidelijke goesting. De voorbereiding zit erop, de spanning bouwt op, maar vooral overheerst het gevoel dat hij er klaar voor is. “Ik heb goed kunnen trainen. Nu voorzichtig aan het afbouwen, dus ik kijk er wel naar uit om terug met onder andere Bashir Abdi aan de start te staan. Het is alweer van 2023 geleden, dus het zal wel chic zijn.”
Dat hij opnieuw samen met Abdi en andere sterke Belgen aan de start verschijnt, geeft de wedstrijd extra glans. Voor Naert is Rotterdam bovendien geen onbekend terrein. Integendeel, het is een plek waar hij al meermaals boven zichzelf uitstak. Zijn persoonlijk record – 2u06’56” – liep hij er in 2023, en het is precies dat niveau waar hij opnieuw naartoe wil. “Dat is ook direct het doel waarvoor we gaan. Hoe meer eronder hoe beter natuurlijk, maar het zou mooi zijn om drie jaar later terug daar een PR te kunnen lopen.” Toch beseft hij maar al te goed dat die progressie niet eindeloos blijft doorgaan. “Iedere keer als ik al in Rotterdam gelopen heb zat er steeds een persoonlijk record in, maar het wordt inderdaad ieder jaar moeilijker.” De evolutie van zijn tijden spreekt boekdelen: “Van 2u10’16” naar 2u07’39” naar 2u06’56”. Nu dus de vierde keer daar.” Het typeert zijn carrière: stap voor stap beter worden, maar telkens tegen een hogere limiet aanlopen.
Het wedstrijdplan ligt in grote lijnen vast. Naert mikt op een tempo dat hem opnieuw richting 2u06’ kan brengen. “Er is een tweede groep die mogelijks weggaat op 3’ vlak per kilometer (20 km/u), maar dat wijzigt natuurlijk nog wel een klein beetje.” Zoals vaak in grote marathons, hangt veel af van de samenstelling en dynamiek van de groep. “Ik ben ook niet de dirigent van de groep,” zegt hij nuchter. “Het zal normaal gezien Filmon Tesfu zijn die dat mag beslissen omdat hij een Nederlander is.” Toch verwacht hij geen verrassingen: “Ik verwacht niet dat hij opeens 62’ zal willen doorkomen halfweg. Anders moet hij maar meegaan met de eerste groep.”
Over de exacte samenstelling van die groep blijft het vaak tot het laatste moment gissen. “Tot nu toe heb ik nog niet echt een deelnemerslijst zien passeren, maar dat komt wel vaker vrij laat.” Wat wel duidelijk is: zonder geschikte groep zou Naert niet aan de start staan. “Vooraleer ik Rotterdam heb bevestigd had, wilde ik wel eerst weten of er een groep was voor 2u06’. Anders zou ik hier zelf niet lopen. Dat was dus al 1 voorwaarde om daar te starten, want soms gebeurt het dat de tweede groep “slechts” richting 2u09’ loopt en ze alles op die eerste groep zetten.” Hij liet dat ook expliciet communiceren: “Ik heb aan Marc (Corstjens) gevraagd om me op de hoogte te houden nadat ik duidelijk had laten weten wat ik wil.”
Die aanpak loont. Met namen als Tesfu en Pietro Riva, aangevuld met enkele Afrikaanse atleten, lijkt de tweede groep voldoende sterk. “Geen te grote groep natuurlijk,” merkt hij op, al plaatst hij dat meteen in perspectief: “In Sevilla vorig jaar startten we toch met een groep van 30 à 35 atleten.” Rotterdam is anders, zegt hij, en dat heeft ook voordelen: “De groep zal dus iets comfortabeler zijn naar de bevoorradingstafels toe.”

Die focus op een goede groep onderstreept hoe berekend zijn marathonkeuzes zijn. “Zeker als je voor een tijd gaat,” legt hij uit. “Stel je voor dat ik voor Boston kies als strijdmarathon, dan ga ik niet zeggen dat ik een groep wil richting die of die tijd.” In zulke wedstrijden draait het meer om positie dan om chrono. “Het kan zijn dat je na vijf kilometer alleen valt,” zegt hij. “Nu weet je perfect welk tempo ik moet proberen om 42 kilometer lang vol te houden.”
Rotterdam heeft voor hem ook een bijzondere sfeer. “Bashir zegt dat ook: voor ons is dat eigenlijk een beetje een thuiswedstrijd.” Die populariteit brengt ook extra verplichtingen met zich mee. “Vrijdag moet ik nu nog speciaal vroeger vertrekken om aan te sluiten voor de persconferentie.” Hij relativeert het meteen: “Ik ga daar nu niet over klagen, maar het zorgt er wel voor dat je je planning een beetje moet aanpassen.”
Die planning is sowieso minutieus. Zelfs de laatste trainingsprikkel wil hij liefst thuis afwerken. “Normaal gezien vertrek ik graag pas vrijdag in de namiddag, want als het kan doe ik de laatste prikkel graag nog thuis.” Dit keer moet hij improviseren: “We moeten vrijdag al om 8u30 vertrekken, maar dan ga ik ervoor dus nog gaan trainen.” Gelukkig is hij dat gewend: “In Kenia trainde ik ook altijd zo vroeg.”
De weg naar Rotterdam verliep echter niet zonder hindernissen. Na een sterke vorm in december sloeg het noodlot toe. “Eind december ben ik gevallen over een boomwortel in het bos waardoor ik een gekneusde schouder en ribben had.” Alsof dat nog niet genoeg was, volgde kort daarna een tweede valpartij. “Ik viel over een afgezaagd boompje dat verstopt lag onder de bladeren.” De schade was groter: “Een gescheurd partieel ligament in mijn enkel rechts.” Het verdict was duidelijk: “Januari was dus zeker geen geslaagde maand.”
Achteraf ziet hij dit anders. “Als ik er nu op terugkijk was het misschien juist wel ideaal.” Door de blessure moest hij meer alternatief trainen, maar hij bleef actief. De doorbraak kwam in Schoorl. “Mezelf zou ik 29’30” gegeven hebben, maar ik liep 28’52”.” Dat resultaat gaf vertrouwen: “Ik wist dat als dit mogelijk was en ik vervolgens naar Kenia kon vertrekken, dat het wel goed zou komen.” En dat gebeurde ook: “Heb super goed kunnen trainen in Kenia. Alles op zijn tijd en zo valt alles in zijn plooi richting zondag. ”Hoewel prestaties op kortere afstanden hem nog altijd voldoening geven, blijft alles in functie van de marathon. “Er zijn maar twee momenten die tellen in een jaar en dat zijn de twee marathons die ik loop.” De rest is bijzaak: “Al de rest kan me niet zo heel veel schelen eerlijk gezegd.”
Zijn profiel als atleet is de voorbije jaren duidelijk geëvolueerd. “Ik ben gewoon een andere atleet geworden,” zegt hij. “Ook qua loopstijl en loopeconomie.” Die ontwikkeling heeft een keerzijde: “Die absolute snelheid zit er bij mij gewoon niet meer in.” Waar hij vroeger een 10 km nog kon beslissen in de slotkilometer, is dat nu anders. “Ik was in Schoorl al blij om na 9,5 kilometer nog in die groep te zitten.” Hij ziet wel nog mogelijkheden. “Voorlopig heb ik 13 juni op de planning staan om deel te nemen aan de Bashir’s Summer Run die doorgaat rond de Watersportbaan. Als alles goed gaat is er in juni wel wat ruimte om terug zowat andere afstanden te gaan exploreren hier in België. Ik train bijna altijd alles alleen en vaak rond de Watersportbaan. Het parcours ken ik alvast goed, dus voor mij zijn dat leuke momenten om de wedstrijdvoorbereiding ook nog eens mee te maken en te oefenen. Als er dan wat extra sfeer langs de kant is doe je wat extra moeite om fris, goed gevuld en met veel goesting aan de start te staan voor een goede training.” In het najaar lonkt een halve marathon, mogelijk in Kopenhagen. “Als ik daar kan starten met een groep voor richting 61’ of 62’ zou dat ideaal zijn.” Maar opnieuw: alles op zijn tijd. “De focus ligt dus eerst op Rotterdam.”

Daarnaast staat er ook een langere hoogtestage gepland in de Verenigde Staten. “We gaan deze zomer zes weken naar Mammoth Lakes in Californië.” Het leven als topsporter combineren met een gezin vraagt echter flexibiliteit. “Ik moet de kerk een beetje in het midden houden,” zegt hij. “Mijn vrouw werkt voltijds, dus dat zijn allemaal zaken waarmee ik rekening moet houden.”
Over strengere kwalificatielimieten maakt hij zich voorlopig geen zorgen. “Het is aan mij om zo hard mogelijk te lopen en dan zien we wel waar het schip strandt.” Ook richting de Olympische Spelen van 2028 blijft hij rustig: “Nu lig ik er zeker nog niet over te stressen.” Wat hij wél weet, is dat een topprestatie in de marathon van veel meer afhangt dan enkel vorm. “Ik sta op mijn hoogste niveau, maar ik weet na al die jaren dat dat niet altijd voldoende is.” Factoren zoals weer, wedstrijdverloop en kleine details spelen een grote rol. Hij verwijst naar Rotterdam 2023: “Ik ben daar zeker nog een halve minuut verloren door tegenwind in de laatste zeven kilometer.”
Het maakt dat geduld een sleutelbegrip is geworden in zijn carrière. “Daarom zeggen ze ook altijd dat geduld heel erg belangrijk is in een marathon.” Want kansen zijn schaars: “Als je er maar twee in een jaar loopt en het is twee keer niet ideaal, dan moet je soms anderhalf of twee jaar wachten voor er terug een topprestatie staat.” Hij blijft echter geloven in dat ene perfecte moment waarop alles samenvalt. “Het belangrijkste voor mij is dat ik zie dat ik goed getraind ben en dat is nu het geval.” Maar uiteindelijk telt maar één ding: “Het is de dag zelf dat het moet gebeuren.”



















