De bekendmaking van de selectiecriteria voor uiteenlopende internationale kampioenschappen zorgde twee weken terug voor flink wat ophef. Co-voorzitter Patrick Van Caelenberghe licht de strengere aanpak toe door te stellen dat een jeugdkampioenschap alleen nut heeft als het een positieve stimulans vormt.
Belgian Athletics leverde half januari goed op tijd de selectiecriteria af voor bijna alle internationale kampioenschappen in 2026. Er wordt met duidelijke prestatie-eisen gewerkt: wie deze neerzet, zal zijn kampioenschapsuitnodiging aanvaard zien. Die limieten (WK indoor, EK outdoor, WK U20 en EK U18) maakten flink wat reacties los: “te streng, respectloos, oneerlijk en ontmoedigend”, zo klonk het bij critici.
Verstrenging
Nationale selectiecriteria bovenop internationale voorwaarden zijn geen nieuwigheid of Belgisch unicum. Het is wereldwijd ingeburgerd om niet elke kampioenschapsuitnodiging te aanvaarden en zo een zeker prestatieniveau te handhaven. Belgische en internationale criteria zijn over de laatste paar jaren duidelijk strenger geworden en volgen het stijgend prestatieniveau in de atletiek. Relatief gezien is de Belgische toegangspoort echter ook kleiner geworden.
Zo was de nationale 100m-eis bij de vrouwen voor het EK in 2016 bijvoorbeeld nog 11″36 (=35ste Europese jaarprestatie 2016), tegenover 11″13 voor het EK van deze zomer (=15de Europese jaarprestatie 2025). De verstrenging is ook stevig ten opzichte van het vorige EK. Voor Rome volstond op de 100m namelijk nog 11″24 (=34ste Europese jaarprestatie 2024).

Level playing field
Patrick Van Caelenberghe, co-voorzitter van Belgian Athletics, begrijpt de vraag om toelichting: “Het is belangrijk dat er een woordje uitleg komt. We hebben al een kort artikeltje online gezet en willen ook nog meer duidelijkheid scheppen in de waarom-vraag. We willen tijdig en open communiceren. Daarom waren de criteria er dit keer vroeg op voorhand.”
Een belangrijke betrachting voor de selectiecommissie, waar Van Caelenberghe samen met topsportcoördinator Rutger Smith en raad van bestuursleden Mieke Seminck en Jos Jacobs in zetelt voor de Vlaamse kant, is het waarborgen van een level playing field. “Voor elk kampioenschap wordt eerst een te behalen doel bepaald zoals bijvoorbeeld het doorkomen van de eerste ronde. Zo komen we uit bij een top 8, 12, 16, 24 of 32 die daar over alle disciplines heen ongeveer nodig voor is.”
“Vervolgens passen we dat criterium toe op de uitgezuiverde toplijsten (i.e. 2 of 3 atleten per land afhankelijk van de internationale regels voor dat kampioenschap; red.) van de voorbije jaren en nemen we de gemiddelde prestatie als limiet. Voor elke proef hanteren we hetzelfde top X-criterium.”
“In sommige disciplines staat de Belgische top verder af van de internationale top dan in andere disciplines, wat het idee kan geven dat we niet voor iedereen even streng zijn. Dat klopt niet: afgemeten aan het internationale niveau is er een level playing field voor elke proef en dat vinden we belangrijk.”
“Atleten moeten sterker en met meer zelfvertrouwen uit een jeugdkampioenschap komen”
De aanscherping van de limieten heeft ook plaatsgevonden bij de jeugdkampioenschappen, dit jaar het WK U20 en in nog meer uitgesproken mate het EK U18. Zo zit er bijvoorbeeld twee en een halve seconde verschil tussen de 800m-EK scholierenlimieten van 2024 en 2026. In de verste werpnummers zoals het speerwerpen en het hamerslingeren gaat het over verschillen van meerdere meters. Deze limieten werden op dezelfde manier als bij de senioren bepaald. Een koerswijziging in het selectiebeleid is dus een niet te ontkennen feit.
“Het einddoel is stap voor stap doorgroeien naar een zo goed mogelijke senior, met aandacht voor ontwikkeling, leerervaring en plezier in het sporten. Niet het bereiken van jeugdkampioenschappen. Deze kunnen wel een mooie tussenstap zijn naar latere prestaties op het juiste moment, wanneer het resultaat er wel toe doet. De weg naar topprestaties is er één van tijd, geduld en zorgvuldige opbouw.”

“De meerwaarde van een kampioenschap zit in het leren omgaan met internationale competities, verwachtingen en druk. Deelname aan zo’n wedstrijd moet vooral een leerrijke en positieve ervaring zijn. Jaar na jaar zagen we de delegaties in omvang toenemen – een positieve zaak, want dat betekent dat België meegroeit met het internationale niveau – maar daarbinnen gingen altijd veel atleten ontgoocheld naar huis. Een heel seizoen op limieten jagen en er dan uitgaan in de eerste ronde werkt demotiverend. Daar willen we hen tegen beschermen, want het gaat voorbij aan de doelstelling waarvoor we jeugdkampioenschappen nuttig vinden: atleten moeten er sterker en met meer zelfvertrouwen uit komen.”
“Specifiek wat betreft het EK U18 hebben we een bevraging gehouden bij de federale trainers. We hebben de vraag gesteld of we nog aan dat kampioenschap moeten deelnemen. Ook tot onze eigen verrassing was de uitslag 50/50. Uiteindelijk heeft de raad van bestuur van Belgian Athletics besloten om wel te blijven deelnemen. De betere atleten worden nog steeds uitgestuurd. Bovendien ben ik er zeker van dat sommige atleten wiens omkadering nu luid aan het roepen is, toch aan de gevraagde criteria zullen voldoen.”
Leermoment
Ontneemt Belgian Athletics met die aanpak dan ook niet de kans om al op jonge leeftijd ervaring op te doen en bij te leren? “We zijn aan het kijken om de betere jeugd op andere manieren internationale ervaring aan te bieden. Denk daarbij aan interlands tegen buurlanden. Op die manier komt het seizoen niet in het teken te staan van uitputtend jagen op limieten en doen onze atleten ook internationale ervaring op. Ze leren er de procedures van bijvoorbeeld de callroom en de opwarmingspiste kennen, terwijl ze ook het typische groepsgevoel van een kampioenschap meekrijgen.”
“Belgian Athletics kiest bewust voor de lange termijn. Niet om jongeren te beperken of te straffen met strenge criteria, maar om hen stap voor stap te begeleiden in het omgaan met competitie, verwachtingen en druk. Met als doel: duurzame ontwikkeling, zelfvertrouwen en een toekomst waarin prestaties kunnen groeien op het juiste moment.”
“Het financiële aspect speelt een rol, maar is van ondergeschikt belang.”
Het verwijt dat de bond geen geld wil steken in de jeugd wijst Van Caelenberghe gedecideerd van de hand. “Het financiële aspect speelt inderdaad een rol, maar is van ondergeschikt belang. We beslissen eerst op sportieve gronden welk niveau nodig is om naar een kampioenschap te gaan en passen het financiële plaatje daaraan aan.”
“Mensen moeten voor ze dat argument maken wel begrijpen waar het geld vandaan komt. Sponsoring dekt minder dan de helft van de kosten van internationale kampioenschappen en Belgian Athletics krijgt nul euro subsidie van de overheid om het kostenplaatje mee te dragen. Alles wordt steeds duurder, zo ook vliegtuigtickets en overnachtingen. De federatie(s) moeten richting een duurzaam financieel evenwicht en alles wat te veel uitgegeven wordt, komt uiteindelijk op de schouders van de clubs en hun leden terecht. Het moet ook voor hen draagbaar blijven.”
“Het is absoluut niet zo dat de kosten van internationale kampioenschappen volledig voor de rekening van European Athletics of World Athletics zijn. Zij komen slechts voor een bepaald aantal atleten en voor een beperkt bedrag tussen. Dat we naar het EK veldlopen iets grotere delegaties kunnen sturen, komt doordat daar ook een landenklassement wordt georganiseerd. European Athletics doet een grotere tussenkomst in de kosten vanaf je met een bepaald aantal atleten de finish haalt.”

Kan de gloednieuwe atletencommissie zich mengen?
Vorige week kondigde Belgian Athletics de oprichting van een atletencommissie aan. Welke rol zal die groep eliteatleten kunnen spelen in discussies over deelname aan internationale kampioenschappen? “Zij gaan een adviserende rol krijgen in het uitzetten van het beleid. Dan heb ik het onder meer over die eerste fase waarin bepaald wordt op welke prestatiedoelstellingen de selectiecriteria afgesteld moeten worden.”
“Mogelijk zullen zij ook anders kijken naar zaken die al een hele tijd niet meer ter discussie staan. Tot nog toe hebben we bijvoorbeeld altijd afgeblokt dat atleten zelf voor de kosten van een kampioenschap zouden instaan. Ook hier willen we het level playing field beschermen. Iemand van minder gegoede afkomst moet volgens ons dezelfde kansen krijgen als iemand uit een welgestelde omgeving. In veel andere landen is het weliswaar geen taboe. Dan wordt er bijvoorbeeld 50% bijdrage gevraagd van iedereen of bestaat er een A- en een B- limiet die bepaalt welk aandeel van de kosten je zelf moet dragen. Als de atletencommissie vindt dat zoiets moet kunnen, kan het debat heropend worden.”







